In dit dossier laat ik een paar professors en/of profesionele vredebouwers aan het woord, wat hun teksten en hun publicaties ons te vertellen hebben. Onderhandelen over vrede is een beroep, dat vraagt dus training en scholing. Gelukkig zien we dit nu in, en wordt dit vak aan de grote universiteiten degelijk en door ervaren mensen onderwezen. Deze mensen werken normaal niet in het voetlicht op het podium of op de eerste rij, zij komen niet dagelijks in de gewone huiskamer-media. Ze worden af en toe wel eens vernoemd als “bemiddelaars” “vrede-onderhandelaars”, zonder echter naam en toenaam te vermelden. Het is voor ons een beetje een amorfe groep van “vredespijp-rokers”. Ik vraag me af hoe dat komt. Misschien is het beter dat ze hun werk verder zetten in de coulissen, maar hun woorden, hun filosofie, hun ervaringen zijn wel de moeite waard en zouden interessant leesvoer kunnen zijn in ons onderwijs.
Vrede komt niet uit de hemel gevallen. Samenleven is heel moeilijk, ook als we de zelfde taal spreken en dezelfde cultuur en achtergrond hebben, laat staan als dit alles nog eens verschillend is. Dan wordt samenleven een uitdaging, en vrede een intensief arbeidsproces. Vrede = elkaar begrijpen = ruimte geven = respect tonen = kortweg : Samenleven, een kunst die kan onderwezen worden.
De eerste die aan het woord is, is John Paul Lederach.
John Paul Lederach is Professor van het Transformatie Programma van Sociologie en conflicten studie aan de Universiteit van Oost Mennonite in de Verenigde Staten. Hij was directeur van het Instituut voor Vredesheropbouw, IPI, sinds hun oprichting in 1993 tot 1997. Dr. Lederach heeft uiteenlopende ervaringen als vredebouwer in de praktijk, als trainer en als bemiddelaar in gebieden zoals Latijns Amerika, Afrika, Verenigde Staten, Philippijnen, Noord-Ierland en Baskenland, om enkele te noemen. Hij heeft belangrijk naslagwerk geschreven over training, oplossing en praktijk tijdens vredesonderhandelingen, zowel in het Spaans als in het Engels. Dit artikel is een samenvatting van zijn werk: “Justpeace 2050″, over de grote uitdaging van deze eeuw: vrede.
“We zaten gestationeerd in een kleine kamer met 14. Bedden of brits boven elkaar, met schragen tegen een afgeblotte muur, vochtige lakens, stinkende dekens. Sommige van hen lagen vanonder, een beetje met hun gezicht in het duister, andere zaten op de bedden boven en lieten hun benen in de lucht bengelen, speels, uitdagend, onzeker zekerheid spelende. Het was ons tweede, misschien derde bezoek aan de “onderhandelingstafel”. Ik herinner me het eerste bezoek nog, toen we een aftastingsgesprek hadden met hen en de kleine groep onderhandelaars en peaceniks. ”Voor we echt van start gaan,” zeiden ze,”willen we eerst weten waarom jullie denken dat geweld niet werkt?”
Voor we deze vraag konden beantwoorden gingen zij al door met het opsommen van conflicts waar recentelijk de vredesonderhandelingen hadden gefaald, waar de bemiddeling verworpen was, en het geweld het conflict gewonnen had. De opsomming en de defensieve woorden waren een boodschap, spruitend uit het diepste van hun ziel en uit hun ervaring vanuit hun prilste herinneringen, hun kindertijd. Een boodschap van de overlevingsdrang in elk van hen, in elk van ons, als mensen, en ook de reden waarom ze toch naar deze kamer waren afgezakt.
Dit was mijn ervaring tijdens mijn eerste bezoek, nu de derde keer, geloof ik, was het mijn beurt. We vroegen hen wat ze eigelijk dachten van de juist ondertekende vredesovereenkomst. Hun leider haalde diep adem, en zijn antwoord zindert nog bij elke vredesopdracht door mijn hoofd, het is mijn basis van elke onderhandeling: “Ik ben bang van vrede want ik weet met volle zekerheid dat op het einde van de dag, ik weer voor de poorten van de gevangenis zal staan om de kinderen van mijn kinderen te bezoeken.” Deze woorden werden gesproken, eerlijk en gemeend vanuit de bodem van zijn hart, in de Maze Gevangenis in Noord-Ierland.
We stonden op een vuil speeltuintje van een oud schooltje waar een gespannen vergadering plaatsvond. Het was bijna 6 jaar na het einde van de oorlog in Nicaragua die gedurende bijna heel de jaren 80 over het land zinderde. Er stonden oude vijanden tegen over elkaar, voetsoldaten en hun families van eenzelfde dorp, die respectievelijk voor de Sandinistische regering als voor de rebellen hadden gevochten. De rede van deze bijeenkomst was wederom “overleven”. Onze taak was om de gesplitte groep in het dorp terug een samenleving te geven, hen elkaar te laten vergeven, om terug een sociaal netwerk op te bouwen. Er werden ook tezelfdetijd mensen van het dorp opgeleid om na onze interventie zelf de onderhandelingen te leiden, aan vredesopbouw te doen en micro-ondernemingen te steunen en te begeleiden. Op het einde van een harde werkweek waar volgens ons een gezonde vooruitgang geboekt was, hoor ik een veteraan aan de leider van zijn groep 10 dollar vragen. Op de vraag waarom, zei hij:”Mijn zuster loopt en springt snachts rond als een dolle aap, schreeuwend en roepend, ze scheurt en krabt haar buik open om de aap eruit te halen.” De stilte tussen hen, verplicht hem om verdere uitleg te geven: “we zijn al naar de kampdokter geweest maar die zegt dat er niets aan te doen is. Maar er is een tovernaar,” hij stopt midden in zijn zin. “Denk je dat deze tovenaar kan helpen?” vroeg de leider. Ik zag de ex soldaat naar zijn handen kijken, ruw van het dagelijkse werk op het veld, diepe groeven vol herinneringen aan de wapens die ze gedragen hadden tijdens de onmenselijke oorlog die zijn zus gek heeft gemaakt. “Het is het enige dat we kennen.”
Als onderhandelaar en vredesleraar heb je als belangrijkse instrument: woorden. Ik heb deze twee verhalen, twee van de velen uit mijn loopbaan, aangehaald om aan te tonen dat met een paar woorden een hele wereld kan afgetekend worden, een wereld van complexe levensomstandigheden en dagelijkse waarheden. In alle twee de verhalen wordt het karakter en de bedoeling van vrede in vraag gesteld. Deze in vraag stelling in deze twee voorbeelden, komt niet van politiekers, niet van gesofistikeerde waarnemers, specialisten of theoretici, strategisten, nee de echte vraag naar de bedoeling van vrede en de diepere zin ervan wordt hier gesteld door de mensen die er midden in staan, die er dagelijks mee omgaan, de man in de straat, de vrouw tussen twee vuren, de twee hoofdrolspelers in de draaikolk van oorlog en de effecten van het geweld. Hun vraag is eenvoudig. Wat zal er veranderen als jullie hier vrede brengen? Wat kunnen wij verwachten van jullie vrede?
Als ik terug kijk over mijn 20 jarige ervaring van geweldloze transformatie van conflicten en bemiddeling en als ik terug denk aan de recentelijke vredesakkoorden van de afgelopen decada, komen er twee dingen naar voor.
1. objectiviteit suggereert ons dat er een beduidende grote kloof is tussen onze capaciteit om vrede te sluiten en om vrede te behouden.
2. Directe interactie met deze processen provoceert een besmettelijke hoop, een hoop op vrede, een hoop op overleven.
De hoop is gegrond in het incasseeringsvermogen van mensen, zoals de twee aangehaalde mannen hierboven, die, niettegenstaande de decades van obstakels en diep geworteld geweld, toch weer opnieuw stappen zetten om vredevol samen te leven met hun vijanden. Hoop gebaseerd op de ervaring van de tweede helft van de 20ste E, getekend door hard en gesofistikeerd stijgend geweld, dat een geweldloze conflicttransformatie mogelijk is en helpt bij de humane overlevingsdrang en hoop op een vreedzame samenleving naar de 21ste E toe. De kloof tussen een vredesakkoord en een verdere vreedzame samenleving komt voort uit de nood om op een vlugge en technische manier een oplossing te vinden, voor het geweld en het conflict escaleert, in plaats van een oplossing te vinden op lange termijn, door de problemen echt bij de wortels aan te pakken en alles uit te diepen tot op de bodem. De kloof tussen een akkoord en het verder opvolgen van de vrede, kan enkel gedicht worden als er aan een systematisch structurering wordt gedaan, waarin de processen waaruit het conflict groeit, worden uitgediept en worden begrepen.
Om deze twee punten samen te brengen, de kloof en de hoop, zie ik als antwoord: de sleutels tot de meest belangrijke redenen tot kloofvorming op te sporen en in kaart te brengen en een adequate taal ontwikkelen om de hoop meer vuur te geven. Een taal die de hoofdpersonages in het conflict spreken, geen taal die wij hier op onze universiteitsstoelen de wereld inroepen


0 reacties so far ↓
There are no comments yet...Kick things off by filling out the form below.